Reflectie op De bandeloze hebzucht van het bestaan (Hans Stegeman)
Arthur, dank je.
Wat jij doet in dit boek, is niet kiezen tussen economische modellen. Je vraagt iets fundamentelers: wat is een individu eigenlijk, en hoe verhoudt dat zich tot gemeenschap en natuur. Vijf meditaties lang, van de homo economicus tot Marx, kom je uit bij een omkering. Het individu is niet de tegenpool van gemeenschap en natuur. Het is de plek waar ze zich laten kennen.
Ik hoorde eergisteren toevallig een oud Sire-spotje. “De maatschappij, dat ben jij.” Vijf woorden voor wat jij in tweehonderd bladzijden beargumenteert. Daar kom ik zo op terug.
Ik heb je boek gelezen. De eerste keer om te volgen. De tweede keer om tegen te spreken. Dat is een compliment. De meeste boeken over economie lees ik één keer, om bevestigd te worden, of ik leg ze na een hoofdstuk weg omdat ze te ver van de praktijk staan. Dit boek deed iets anders. Ik moest erover nadenken. En volgens mij is dat precies wat je wil.
Ik ben econoom, geen filosoof. Dat bepaalt hoe ik gelezen heb. Jij zoekt het wezen van de
economie. Ik werk er middenin, met de blik vooral op het systeem, minder op het individu. Vanuit die positie reageer ik, in wat volgt, op jouw boek: wat me raakte, waar ik vastliep, en wat er volgens mij na dit boek nog moet gebeuren.
- Wat me raakte
Jij stelt dat individualiteit geen tegenpool is van gemeenschap en natuur, maar de toegang ertoe. Best lastig te duiden. Wie het economisch liberalisme bekritiseert, ikzelf ook, grijpt al snel naar hetzelfde recept: minder ik, meer wij. Tem het individu, en er ontstaat ruimte voor het collectief. Jij kiest een andere route, naar een dieper begrepen individu.
Je zin over Merleau-Ponty (meditatie 4) is blijven hangen. Mijn vrijheid is niet gescheiden van mijn invoeging in de wereld. Ik gebruik zelf al jaren het beeld van de embedded economy, de economie ingebed in natuur en samenleving. Ik dacht altijd dat ik daarmee vooral iets ecologisch en institutioneels bedoelde: grondstoffen, ecosystemen, sociale verbanden. Jij laat zien dat die inbedding ook, misschien wel eerst, iets lichamelijks is. Een huid die tegelijk grens is en contact.
Dat beeld keert terug aan het eind van je vierde meditatie, en dat vond ik het sterkste moment van het boek. Je schrijft dat de breuk met natuur en gemeenschap misschien geen breuk is, maar iets dat je jezelf hebt aangepraat. Ik zeg al jaren dat economie een verhaal is, geen natuurwet, een verhaal dat je kunt herschrijven. Jij zegt hetzelfde over de breuk met de natuur zelf. Ook die is een verhaal. Daar naderen filosofie en economie elkaar het dichtst, in dit boek.
En het is dapper, wat je doet. Bijna iedereen om me heen ruilt het individu liever in voor iets collectiefs. Jij zegt: geef het niet op, kijk er anders naar. Dat vraagt lef.
- Waar ik vastliep
Terug naar Sire. De maatschappij dat ben jij.
Ik wil beginnen bij een zin die jij zelf onderstreept, tegen het eind van je vijfde meditatie. “Grenzen stellen aan het individu is niet de oplossing.” En verderop, nog scherper: “het individu moet niet begrensd worden, maar bevrijd worden van de grens die het economisch liberalisme eraan heeft opgelegd.”
Dat is, denk ik, de kern van je hele boek. En het is precies waar ik moet tegenspreken. Want alles wat ik doe, elke dag, gaat over grenzen stellen. Aan CO2, aan kredietgroei, aan wat een bank mag financieren. Als jij gelijk hebt, ben ik al die tijd bezig geweest het ware individu te miskennen in plaats van te redden. Daar wil ik iets tegenin brengen.
Om te beginnen: de maatschappij, dat ben jij, zegt ruim je eigen rommel op, en Nederland wordt schoner. Voor zwerfvuil klopt dat. Jouw verlangen naar meer wijst uiteindelijk op onsterfelijkheid, zeg je, geen gebrek dat om een grens vraagt. Maar de bandeloze hebzucht uit je titel vertaalt zich, in mijn wereld, in bosbranden, verzakkende kustlijnen, verzekeraars die hele regio’s onverzekerbaar verklaren. Ik zie geen teken van iets groters. Ik zie schaarste, en die is dit jaar al voelbaar.
Er zit ook iets onder die schaarste-passage. Je begint bij de klassieke definitie, schaarste als verdeling van middelen. Binnen een paar bladzijden verschuift die schaarste naar mijn onbegrensde verlangen, en de verdelingsvraag, wie welke middelen heeft, verdwijnt. Ze komt ook niet terug bij je hoofdstuk over de vrije wil. Daar onderzoek je of mijn wil vrij is, ingebed of ongehinderd. Of ik ook het vermogen heb om die wil uit te oefenen, de middelen, de gezondheid, de tijd, blijft onbesproken. Die stap, van wil naar vermogen, is bij Amartya Sen de kern van wat vrijheid economisch betekent. Bevrijd je het individu zonder naar die stap te kijken, dan bevrijd je vooral wie al vermogend genoeg is om van die vrijheid gebruik te maken.
Korter, maar het zit me dwars. Je schrijft dat morele kritiek op het liberalisme dit probleem intact laat: ze voegt waarden toe aan de afweging, maar blijft gevangen in dezelfde empiristische grondslag. Dat klopt voor kritiek die waarden weegt. Er bestaat ook kritiek die waarden juist als grens stelt, in plaats van ze te wegen. De rechtspersoonlijkheid van de Whanganui-rivier, bijvoorbeeld: niemand weegt die af tegen een investering. Ook daar is een grens geen aanslag op vrijheid. Daarover graag meer in het panel.
En dan het punt waar het mij uiteindelijk om gaat. Je hele boek blijft, net als de Sire-slogan, op het niveau van het individu. Ik ken die beweging goed, ik open mijn eigen proefschrift ermee. Robinson Crusoe. Eén eiland, één bewoner, waarmee generaties economen laten zien hoe schaarste werkt en welvaart groeit. Volledig doorzichtig, op één voorwaarde: er is maar één individu.
Wat je met Crusoe nooit ziet, is wat er gebeurt zodra je hem vermenigvuldigt. Met acht miljard, niet met honderd. Groeidwang, kantelpunten, klimaatverandering: geen van drieën is een eigenschap van individueel gedrag. Het zijn emergente eigenschappen van een systeem, onzichtbaar op microniveau, en pas zichtbaar zodra je uitzoomt naar macro. Stel dat je gelijk hebt over het individu. Acht miljard mensen met precies het verlangen dat jij beschrijft, oprecht wijzend naar iets groters. Dan nog ontstaat er, via de manier waarop we ons handelen bij elkaar optellen, een uitkomst die niemand gewild heeft, en die de grenzen van diezelfde totaliteit overschrijdt. Bevrijding op individueel niveau garandeert dus niets op systeemniveau. Daarom denk ik dat grenzen stellen wél de oplossing is, ook als je het individu volledig gelijk geeft.
Er is ook een omkering. Een financieel systeem blijft alleen stabiel bij voortdurend uitdijend krediet. Dat kies je niet als individu, dat eist het systeem zelf, en die eis reproduceert keer op keer precies het soort onverzadigbare verlangen dat jij als transcendent beschrijft. Misschien beschrijven jouw metafysica en mijn systeemtheorie dan hetzelfde verschijnsel, van twee kanten. Jij wijst naar boven, naar onsterfelijkheid. Ik wijs naar binnen, naar de architectuur van een systeem dat ons vormt naar zijn eigen behoefte aan groei, en die vorm telkens opnieuw oplegt, hoe bevrijd het individu zich ook voelt.
Dus nee, Arthur, ik denk dat grenzen stellen wél de oplossing is. Vrijheid betekent in een systeem van acht miljard iets anders dan in de meditatie van één.
- Wat er nog moet gebeuren
Je schrijft zelf, eerlijk, dat je benadering niet oproept tot een nieuwe handelingspraktijk. Ze opent een onderzoeksgebied.
Terecht, en geen verwijt. Filosofie hoeft niet te eindigen in beleid. Maar ik werk aan de andere kant van die grens, en ik wil hier hardop zeggen wat er gebeurt als ik jouw herwaardering van individualiteit meeneem naar mijn wereld.
De markt is, in mijn vak, een micro-oplossing voor een macro-uitdaging. Ze telt individuele voorkeuren bij elkaar op, en veronderstelt dat die optelsom vanzelf tot het juiste geheel leidt. Dat werkt, tot het niet meer werkt. Tot de optelsom afwijkt van het collectieve doel en er kantelpunten ontstaan die op individueel niveau onzichtbaar blijven, en pas achteraf, op systeemniveau, een naam krijgen. Groeidwang is zo’n naam.
Als individualiteit toegang is tot gemeenschap en natuur, verandert dat hoe ik naar eigendom kijk. Naar wie er beslist over kapitaal. Naar wat een bank zou moeten faciliteren. Ik denk aan het herontwerpen van de structuren waarin individualiteit zich uitdrukt, met opzet, via instituties, zodat wat jij filosofisch aantoont ook op macroniveau tot uitdrukking komt.
Dat is het werk dat na dit boek begint, boven op wat jij hebt opengelegd.
Afsluiting: mijn eigen antwoord
Dus wat is de bandeloze hebzucht van het bestaan, in mijn eigen woorden.
Een systeem dat vergeten is hoe je genoeg herkent, en dat verlangen keer op keer in ons oproept om zichzelf te kunnen laten groeien. Geen metafysisch gegeven waar het individu van bevrijd moet worden. Het resultaat van instituties, en van een individualiteitsbegrip dat daarop is toegesneden.
Daar schrijf ik nu aan, als vervolg op wat jij hier hebt opengelegd.
Dank je, Arthur.
