Een reactie op de reacties (Arthur Kok)

 

Zoals Joost Ploos van Amstel terecht opmerkt, was ik inderdaad nieuwsgierig naar wat er zou gebeuren als drie mensen met een ander perspectief zou laten reageren.

Dat leidt inderdaad tot drie geheel eigen, verrassend verschillende reflecties op mijn essay. Een reactie op de reacties.

Laat me allereerst een misverstand uit de weg ruimen.

Ik ben niet tegen het stellen van grenzen. Waar ik me tegen verzet is dat een vrij individu alleen maar tot verantwoordelijkheid en gemeenschapszin bewogen kan worden door begrensd te worden. Dat is voor mij een misverstaan van wat een vrij individu ten diepste is, namelijk een levend, zelfbewust subject.

Op de keeper beschouwd is het vrije individu zelf de enige legitieme steller van grenzen. Niet voor niets moeten kinderen uiteindelijk leren zichzelf te begrenzen en niet alleen maar begrensd worden, willen ze volwassen worden. Het opleggen van grenzen aan het vrije individu, die een concreet individu niet in alle redelijkheid ook aan zichzelf zou moeten willen opleggen, is ondemocratisch en repressief – ook als dit met de beste bedoelingen gebeurt. Daar is mijn stellingname wel degelijk politiek.

Maar ik snap de aarzeling. Hoe dan om te gaan met al die individuen die er maar op los leven? Of de Elon Musks en Jeff Bezossen van deze wereld?

De filosoof heeft een troef die de econoom allicht niet heeft – zeggen dat het individu zichzelf niet begrijpt. Dat is een gevaarlijke troef om uit te spelen, maar ik doe het toch. Daarom doe ik er ook zo lang over, het kost me eigenlijk mijn hele boek. Het is ook niet gering om te zeggen dat iemand zichzelf niet begrijpt.

Toch denk ik dat ik gelijk heb als ik zeg dat precies de liberaal, voorvechter van individuele vrijheid bij uitstek, niets van individuele vrijheid begrepen heeft.

De maatschappij, dat ben jij.

Een fascinerende slogan die Hans Stegeman in herinnering roept.

Er is een filosofische wijsheid die zegt dat een waarheid pas wordt uitgesproken als ze verloren is gegaan. Alleen een samenleving die het oorspronkelijke verband tussen individu en gemeenschap is kwijtgeraakt, heeft de behoefte die band te bevestigen.

In die zin is deze slogan het tegendeel van wat ik beoog. Er is geen verband dat bevestigd moet worden, geen verantwoording die moet worden afgelegd. Om als individu gemeenschapswezen te zijn hoef je precies niets te doen.

Hans noemt Amartya Sen, voor mij bij uitstek een econoom en filosoof die ondanks al zijn goede bedoelingen er niet in slaagt de relatie tussen individu en gemeenschap te begrijpen. Hoewel Sen – net als ik – wel degelijk onderkent dat individuele vrijheid gevormd wordt door culturele en maatschappelijke instituties, blijft hij hangen in het huidige systeem, in onopgehelderde liberale denkbeelden.

De liberaal zegt, ik ben vrij zolang ik me van anderen niets hoef aan te trekken. Een pleidooi voor positieve vrijheid zoals dat van Sen verandert niets aan die onderliggende vrijheidsopvatting. Die maakt van vrijheid een privilege – met als gevolg dat vrijheid niet van ons allebei tegelijk kan zijn.

Maar ik zeg, als filosoof, je bent pas vrij ben als de anderen ook vrij zijn. Vrijheid is geen privilege, geen voordeel ten gunste van mijzelf en ten koste van anderen, maar een gemeenschappelijk streven.

Die opvatting is niet vreemd aan de moderne politieke en morele filosofie, ze is niet anders dan wat Jean-Jacques Rousseau zegt met zijn algemene wil (volonté général) en Immanuel Kant met zijn categorisch imperatief.

In die zin voel ik me thuis bij wat Godelieve Spaas ‘radically shared aliveness’ noemt.

Vooral het woord ‘radicaal’ resoneert.

Samen-leven (shared aliveness) is geen lieve, zachte, kleffe boel. Samenleven is radicaal, vergt het uiterste van wie ik ben, maar ik krijg er ook wat voor terug – namelijk mezelf.

Radicaal is iets anders dan extreem. Ik vermoed dat Godelieve dat met me eens is. Extreem is een ander woord voor eenzijdig, radicaal betekent ten volle willen zijn, met alle tegenstrijdigheden en spanningen die daarbij horen. Nogmaals, de huidige markteconomie die draait om winst, groei en efficiëntie is extreem maar niet radicaal.

Om die radicaliteit in onze tijd van extremiteiten recht te kunnen doen, is daarom een andere taal nodig, zoals ook Godelieve benadrukt. Bijvoorbeeld door economie te zien als house-holding, als variant op holding space. Economie als het dragen van het huis lijkt op wat ik als ecologische praktijk omschrijf.

Zelf heb ik minder gevoel bij Lumbung van ruangrupa, maar dat zal mijn tekort zijn. Dat voelt als een parallelle wereld, die een alternatief aanreikt dat van buitenaf naar het systeem blijft kijken. Het aanklagen van bestaande machtsstructuren – waarvan ook ik de noodzaak in mijn essay onderken – heeft als keerzijde dat het de suggestie wekt ik zelf geen aandeel heb in het systeem dat ik bekritiseer. Maar het kapitalisme onderdrukt iedereen, maakt ook van de ceo een slaaf.

Bovendien, armoede maakt creatief, ongetwijfeld, maar dat legitimeert die armoede niet. Een goede kunstenaar hoeft niet arm te zijn. Integendeel, dat dit in veel gevallen wel zo is – ook in Nederland – bevestigt voor mij het onvermogen van het huidige economische systeem om te waarderen wat waardevol is.

Ook voor mij is cultuur een zaak van “kinship and care” en dat valt niet buiten de economie. Dit staat in de vijfde meditatie, waarvan ik pas tijdens het schrijven ontdekte dat hier eigenlijk de kern van mijn verhaal staat. Wie een tweede keer leest, raad ik aan bij deze laatste te beginnen en in dat licht de andere vier opnieuw te lezen.

Laat dat een handreiking zijn:

Ik heb geen ander ideaal voor ogen dan Hans en Godelieve – een wereld waarin wederkerigheid, zorgzaamheid, omkijken naar de ander, gelijk- en gelukswaardigheid centraal staan. Waarin machtsdenken begrensd wordt (het volstrekte tegendeel van individuele vrijheid, al gaat me dat een heel nieuw boek kosten dit aan te tonen).

Alleen verbind ik dat niet met de begrenzing van vrijheid.

Ik ben heel stellig in mijn essay: wie denkt dat een vrijheid die leidt tot “bosbranden, verzakkende kustlijnen, verzekeraars die hele regio’s onverzekerbaar verklaren” ook maar iets met echte vrijheid te maken heeft, is in mijn ogen knettergek.

Toch is dit het vrijheidsbegrip dat het liberalisme met succes aan de wereld heeft verkocht.

De bandeloze hebzucht in mijn titel verwijst dus geenszins naar dit absurde maar helaas wijdverspreide ideaal, maar naar de ‘ontembare vruchtbaarheid van de wereldwil’ (Nietzsche, mijn vijfde meditatie) – dat willen zeggen het bestaan van een heel ander systeem, gebaseerd op wederkerigheid en relationaliteit, niet als naïeve natuuridylle of ongebroken liefdesrijk, maar een levend aardesysteem met alles wat daarbij komt kijken.

Daar is de werkelijke individualiteit te vinden – niet in de kinderachtige, onvoldragen denkbeelden die het liberalisme ons voert.

Individualiteit staat niet tegenover het systeem, ze is zelf een systeem.

In die zin onderschrijf ik wat Joost centraal stelt in zijn reactie:

Een model kan niet de werkelijkheid compleet beschrijven. Dat maakt modellen niet overbodig of nutteloos, maar wel onbruikbaar voor de beantwoording van filosofische vragen die juist de relatie tussen model en werkelijkheid willen begrijpen.

Echter, een systeem is iets anders dan een model.

In mijn essay zet ik niet zozeer systeem en individu tegenover elkaar, wat Hans lijkt te denken, maar bespreek ik veeleer twee soorten systemen.

Voor het eerste type systeem, de huidige economieopvatting, blijft de individuele behoefte een externaliteit, een soort Anstoß die niet echt wordt begrepen. In de filosofie wordt dit doorgaans een mechanistisch wereldbeeld genoemd.

Daartegenover plaats ik de organische natuur, die ook een systeem vormt, maar die niet mechanistisch is. De levende natuur vormt bovendien een systeem waar het individu niet buiten valt. Dit systeem vormt eveneens een economie, echter niet gedreven door optimalisering en efficiëntie, maar door ‘wil tot leven’ die ik uiteindelijk begrijp als drang tot overschrijding en het doorbreken van grenzen.

Maar welke grenzen precies? Ik ben het eens met Joost dat de werkelijkheid altijd groter is dan we denken, maar die waarheid moet niet begrepen worden als een eindeloze beweging van uitbreiding en uitdijing – geenszins! Die niet te omvatten grootte wijst niet op meer van het hetzelfde, maar op de onophefbare mogelijkheid om de werkelijkheid in een fundamenteel ander licht te kunnen zien.

Die radicale mogelijkheid mag bij sommigen aanleiding geven tot luiheid en relativisme, alsof die andere blik als vanzelf en gratis op me afkomt, bij mij roept ze op tot gedisciplineerde aandachtige inspanning, het exacte tegendeel van die geestelijke verslapping dus, in de hoop iets van dat andere spoor op te vangen.

Ik geef toe, dit ondermijnt de directe praktische toepasbaarheid. Vrijheid die geen vrijheid blijkt te zijn, een systeem dat geen model is, individualisme gaat niet werkelijk over wat een individu is… dit is in de eerste plaats een opgave voor het denken, niet het handelen.

Maar precies die drang om het handelen te willen prioriteren, zie ik natuurlijk weer als een symptoom van het heersende systeem…

Zelf zie ik dat niet als een gebrek aan realisme. De realiteit van bank, bestuur en beleid is een andere dan die van het onderwijs, maar dat maakt mijn filosofische taak niet minder in de realiteit verankerd en niet minder besluitvaardig.

De vraag is wel een andere. Ik denk dat onderwijs meer ruimte heeft om niet alleen vandaag met antwoorden te komen, maar ook naar de antwoorden van gisteren en morgen te kijken.

Dat we in het onderwijs die ruimte hebben, aandacht te geven aan wat wij zelf belangrijk vinden, zogezegd onze eigen succescriteria te formuleren, is een zegen maar ook een grote verantwoordelijkheid: wat is de moeite waard om aan de volgende generatie door te geven?

Daarbij is onderwijs, meer dan beleid is mijn indruk, mensenwerk. Papier is geduldig, studenten zijn dat doorgaans niet.

Die intergenerationele uitwisseling van het onderwijs is het wederkerige gesprek waarin de filosofie als sinds de oudheid concreet vorm krijgt. Wie daar grenzen stelt schept wellicht (tijdelijk) orde, maar wie verbinding maakt zorgt voor studenten – en docenten – die zichzelf op de juiste manier leren begrenzen én ontgrenzen.

Uiteindelijk herken ik me dus niet in de tegenstelling tussen individu en collectief.

Ook mijn eigen individualiteit, de stijlfiguur in het essay, benader ik als een systeem.

In niets lijk ik op die ene Robinson Crusoe, laat staan dat ik de wereldbevolking zie als een optelsom van miljarden Crusoes. Het organische systeem laat zich niet vatten in welk rekenmodel dan ook.

De mens is een aanbod dat elke vraag overstijgt, schrijft Marx al. Hij maakt een zinvol onderscheid tussen het ‘ruwe communisme’ en het ‘ware communisme’.

Het ruwe communisme wil de ongelijkheid van het kapitalisme oplossen met organisatie en verdeling, met berekeningen en begrenzingen, kortom met bestuur en beleid. Maar, stelt Marx, dit is geen oplossing maar de voortzetting van kapitalisme; het diepere probleem, de ideologie van natuurbeheersing, wordt niet aangepakt.

Dat doet pas het ware communisme, dat een andere verhouding tot de natuur voorstaat – Marx denkt hier inderdaad aan kunst en wetenschap, maar niet aan de kinderlijke technofantasieën van Musk en Wennink.

Nee, het gaat hem om het mineralogisch oog, de esthetische blik op de natuur, het kunstwerk – waar de handelsman geen zintuig voor heeft. Waar Godelieve met verhalen, muziek en poëzie in de hand ook de nadruk op legt.

Daar kun je inderdaad niet mee rekenen. En ja, die berekeningen zijn ook nodig. Maar ik kan en wil de ecologische crisis niet reduceren tot een verdelingsvraagstuk.

Hans wil dat uiteindelijk denk ik ook niet, zo meen ik te lezen in zijn verwijzing naar niet-onderhandelbare waarden, zoals de erkenning van natuurlijke entiteiten als rechtspersonen. Maar ook deze ontwikkelingen, die ik van harte onderschrijf, moeten van argumenten worden voorzien. En dan werkt helaas de taal van waarden niet. Het zijn quick fixes en schijnzekerheden die het diepere probleem verhullen.

Hans lijkt echter vast te houden, net als Amartya Sen, aan een liberale definitie van individuele vrijheid. Mijn wedervraag aan hem is: waarom daaraan vasthouden? Ook voor zijn project zou het beter zijn met mij mee op zoek te gaan naar een ander begrip van vrijheid.

Misschien is dat wat Hans bedoelt als hij vraagt, wat nu te doen? Een uitnodiging aan mij om op mijn lijn verder te denken en expliciet te verbinden aan beleidsvraagstukken.

Mijn essay is een fundamentele aanzet tot anders kijken naar vrijheid en individualiteit die vooralsnog existentieel-metafysisch is, maar ze behoeft een nadere politieke uitwerking, waarin de relatie tussen markt, macht, recht en democratie centraal staat.

Dat is een oproep die ik serieus neem.

De songtekst van Nynke Laverman waarmee Godelieve eindigt komt voor mij op poëtische wijze tot de kern, juist omdat die een spanning oplevert met wat ze daarvoor zegt over house-holding. Het nieuwe kunnen zien vraagt ook om het oude loslaten (letting go), zingt Laverman.

Een spanning tussen dragen en loslaten – dat lijkt op wat ik in mijn woorden de begrenzende ontgrenzing of de ontgrenzende begrenzing noem.

Daarin radicaal zijn is voor mij dan niet het alternatief dat deze spanning oplost, maar het lef en de openheid deze strijd in jezelf en tussen jezelf en anderen te laten voortduren. Iets waartoe ook de eerste reacties op dit essay mij weer opnieuw hebben aangezet.