Het Thijmgenootschap zoals we het nu kennen, kreeg gestalte in 1969, toen het zijn exclusief katholieke en zuiver wetenschappelijke veren afschudde en zich omvormde tot een vereniging voor wetenschappelijke reflectie op actuele vraagstukken vanuit een christelijk perspectief, toegankelijk voor zowel academisch gevormden als wetenschappelijk geïnteresseerden. Eén van de vernieuwers van toen was de kort voordien gepromoveerde historicus G.A.M. (Hardy) Beekelaar. Hij zou gedurende 37 jaren, van 1967 tot 2004, als weinig anderen zijn stempel drukken op het wel en wee van het genootschap.
Hardy Beekelaar is op 28 april jl. overleden.
Vanzelfsprekend was het niet, dat Hardy het genootschap zo lang heeft kunnen dienen. Sterker, tot tweemaal toe hing de dreiging van opheffing in de lucht. De eerste keer was nota bene juist in de periode van Hardy’s aantreden. Toenmalig bestuursvoorzitter prof.dr. J.Th. Snijders constateerde in 1968 dat de belangstelling voor en de activiteiten binnen Thijm verminderden en meende, dat het genootschap zich bijgevolg ofwel moest opheffen ofwel drastisch vernieuwen. Het werd dat laatste. De statuten werden aangepast, in bovengenoemde zin. Er kwam een nieuwe doelstelling: ‘die wetenschappelijke activiteiten bevorderen die kunnen strekken tot een voortdurende vernieuwing van de samenleving in het licht van Christus’ boodschap’. En in plaats van op ‘beoefening der wetenschap onder de Nederlandse katholieken’ ging het genootschap zich voortaan bezinnen op actuele vraagstukken en de kritische analyse daarvan vanuit de dimensies geloof, wetenschap en samenleving. Voor dit doel werd de opzet van de Annalen geheel gewijzigd. In plaats van als wetenschappelijk tijdschrift, met ook verenigingsnieuws, zouden ze voortaan verschijnen als thematische bundels en essays in boekvorm. Een interne denktank, bestaande uit een werkredactie en een wetenschappelijke raad, zou zich buigen over de programmering van de Annalen en van symposia. De redactie werd in 1968 gevormd. Prof.dr.ir. F.Ph.A (Frans) Tellegen trad aan als voorzitter, prof.dr. A.G. (Ton) Weiler werd vice-voorzitter. Hardy, toen nog conrector in Bussum – hij zou in 1974 wetenschappelijk hoofdmedewerker aan de Nijmeegse universiteit worden – trad toe als secretaris. Vanaf de ‘herstart’ van Thijm eind jaren zestig bevond Hardy zich daarmee in wat voortaan ‘de geestelijke kern’ van het genootschap zou zijn.
Vijf jaar na de ingezette koerswijziging kwam een mogelijke opheffing opnieuw ter sprake. De inhoudelijke werkzaamheden rustten inmiddels zo goed als geheel op de schouders van Weiler en Beekelaar (Tellegen was al in 1970 teruggetreden). Het bestuur en de raad (buiten de redactie) vertoonden weinig leven. Bestuurslid prof.dr. M.J.A.M. Matthijssen meende dat ze zelfs op sterven na dood waren. Matthijssen nam zelf ontslag en stelde voor, een ‘overlijdensacte’ te plaatsen in de pers. Hardy kon zich daar jaren later nog boos over maken. Het paste niet bij zijn optimistische aard, noch bij zijn gedreven betrokkenheid bij en geloof in de nieuwe taak die Thijm zich gesteld had. Al evenmin bij zijn praktische instelling, die eerder gericht was op aanpakken dan op opgeven. Hij schreef Matthijssen terug: “Waar leven is, is hoop; daar klamp ik me aan vast”. De redactie – Weiler en Beekelaar – en de overige leden van de wetenschappelijke raad lieten na onderling beraad het bestuur weten hun taak te willen voortzetten. Aldus werd besloten. Om het bestuur te versterken liet Hardy zich het jaar daarop, in 1975, tevens benoemen tot bestuurssecretaris, een functie die hij vervolgens bekleedde tot zijn vertrek in 2004. Daarbij nam hij ook de ledenadministratie in eigen beheer. Aanvankelijk, zo herinner ik me, hield hij het ledenbestand nog bij op fiches; later bracht hij de administratie onder bij een professioneel bureau. Het typeert Hardy, dat hij met de individuele leden steeds persoonlijk contact onderhield, schriftelijk en vaak ook telefonisch – in dat laatste geval bijgestaan door zijn vrouw Marijke. In plaats van Alberdingk Thijm, wiens portret vanaf 1995 werd afgedrukt op het binnenwerk van de Annalen, werd Hardy voor de buitenwacht feitelijk zo hét gezicht (en de stem) van Thijm.
Als tweevoudig secretaris, van bestuur en van raad en redactie, vergroeide Hardy meer dan wie ook met het genootschap. Hij werd er als het ware het zenuwcentrum van. Hij onderhield contacten met bestuursleden, redactie-/raadsleden, auteurs, sprekers, samenwerkingsverbanden en, zoals gezegd, individuele leden. Hij deed dat niet alleen intensief en consequent, maar ook met plezier. Persoonlijk contact was voor hem belangrijk. Evenals gezelligheid. Het genootschappelijk karakter van de vereniging kwam, zo ergens, dan wel in zijn persoon tot uitdrukking. In dat licht valt ook te verklaren, dat Hardy groot belang hechtte aan de gezamenlijke maaltijden die na afloop van de symposia (nog altijd aangeduid als jaarvergaderingen) werden georganiseerd voor bestuur, raad en sprekers.
De grootste verdiensten van Hardy liggen met dat al in zijn werk als secretaris van redactie en wetenschappelijke raad. Hij was daar de steun en toeverlaat van achtereenvolgens de voorzitters Weiler (1970-1989) en prof.dr. P.J.M. (Paul) van Tongeren (1989-2004). Samen met hen tekende hij voor de (actieve) mede-redactie van niet minder dan 111 Annalennummers. Zorg werd ook besteed aan de keuze van geschikte uitgevers: achtereenvolgens Paul Brand, Ambo en Valkhof Pers. In 1992 werd Hardy’s 25-jarig jubileum als redactiesecretaris gevierd met een klein symposium. De tekst bij het symposium melde: “Het vele werk dat [met de redactie en de raad] gepaard gaat, werd de afgelopen 25 jaar voor het overgrote deel verzorgd door dr. G.A.M. Beekelaar.” Het onderwerp, ‘Algemene vorming en/in het specialistisch wetenschappelijk onderwijs’ sloot aan bij de missie van het genootschap en liet bovendien een echo horen van de slotstelling bij Hardy’s proefschrift uit 1964: “Het verdient aanbeveling, dat alle middelbare scholen voor leerlingen van de hoogste klassen een werkweek organiseren, waar levensvragen […] door leraren en leerlingen gezamenlijk overwogen worden”. Tot 1997 lag ook de praktische organisatie van de symposia (en niet te vergeten de jaardiners) steeds vrijwel geheel in zijn handen; vanaf dat jaar werd organisatorische ondersteuning van de Thomas More Academie (en opvolgers) ingeroepen. Zelf stelde Hardy een tweetal bundels samen. In 1989 een uitgave bij gelegenheid van het honderdste sterfjaar van Jozef Alberdingk Thijm: Tussen isolement en assimilatie. Katholieken en het hedendaagse culturele klimaat. En samen met Paul van Tongeren in 2005 het nummer Stadsgezichten. Wandelen door de geschiedenis van christendom en cultuur, naar aanleiding van het honderdste geboortejaar van het genootschap.
Als bestuurssecretaris was Hardy de rechterhand van achtereenvolgens de voorzitters prof.mr. J.M.M. (Jef) Maeijer, prof.dr. D.A.A. (Dé) Mossel, prof.dr. R.A. (Ruud) de Moor, prof.dr. H.C. (Henk) van der Plas en, in zijn laatste jaar, prof.dr. A.J.M. (Fons) Plasschaert.
In zijn inleiding op de bundel Tussen isolement en assimilatie geeft Hardy blijk van congenialiteit met Alberdingk Thijms open katholicisme, zijn kritische geest – ook tegenover de kerkelijke hiërarchie – en zijn brede culturele oriëntatie. De gelovige dimensie van de drieslag geloof, wetenschap en samenleving vormde voor Hardy een belangrijk aspect van het werk binnen Thijm, maar zijn houding tegenover de kerk, en met name de restauratieve tendensen daarbinnen van na 1970, was kritisch en ook wel ironisch afstandelijk. Achteraf relativeerde hij de in 1969 geformuleerde doelstelling ‘voortdurende vernieuwing van de samenleving in het licht van Christus’ boodschap’ door op te merken: “dat was wel wat vermoeiend”. En bovendien nogal pretentieus en “wat te braaf”. De zinsnede is in de Annalen overigens stilzwijgend verdwenen. Bij zijn afscheid in 2004 luidde de doelstelling inmiddels: ‘wetenschappelijke reflectie bevorderen vanuit een christelijk perspectief op ontwikkelingen in cultuur en maatschappij’. Het christelijk perspectief bleef hij onverminderd zinvol en belangrijk vinden. In 1985 was hij namens Thijm aanwezig bij de ontmoeting van paus Johannes Paulus II met katholieke maatschappelijke organisaties. Hij meende bij de paus een ‘een zekere mate van openheid en begrip’ te kunnen constateren voor een progressief geluid. Of hier de wens vader van de gedachte was? Hardy leefde sterk vanuit de gedachte van de kerk als ‘het volk Gods’. Zijn houding tegenover de kerk stond – geheel ‘in de geest van Thijm’ (het genootschap) – in de traditie van Vaticanum II, van aggiornamento, overwinning van antagonisme tussen kerk en wereld, openheid naar tijd en actualiteit en erkenning van de eigen rol van leken in de kerk. In de jaren na het pausbezoek trok hij trouw in zijn kleine auto volgeladen met Thijmannalen naar de jaarlijkse Acht Mei-manifestaties, om het genootschap daar, zoals hij zei, ‘present te stellen’. En zo mogelijk ook om wat boeken te slijten en leden te werven. Hij genoot daar van de positieve sfeer. Niet onbelangrijk: hij vond het – ik vergezelde hem destijds op die toogdagen – vooral ook gezellig: ze hadden voor hem een zeker reünie-karakter.
In 2004 nam Hardy afscheid van Thijm, al bleef hij achter de schermen ook in 2005 actief als ‘schaduw-secretaris’. Het was het jaar waarin het genootschap zijn honderdste verjaardag vierde met een wel zeer bijzondere reeks activiteiten. Onder de noemer Stadsgezichten. Wandelen door cultuur en religie van de Lage Landen werden tussen april en oktober in tien Franse, Nederlandse en Vlaamse steden programma’s georganiseerd die ‘kernmomenten in de religieuze geschiedenis van de Lage Landen’ belichtten. Het afsluitende lustrumcongres op 9 oktober 2004 was gewijd aan De hemel van Nederland. Nieuwe perspectieven op het christendom in samenleving en cultuur. Een passender decor voor Hardy’s afscheid dan dit geheel van lustrumactiviteiten was wel nauwelijks denkbaar: een inhoudsrijke verbinding van geschiedenis en toekomst met aandacht voor de religieuze, met name christelijke dimensie. Zijn uitzonderlijke betekenis voor het genootschap werd onderstreept met een koninklijke en een (tweede) pauselijke onderscheiding. Met zijn vertrek verloor Thijm niet alleen zijn ‘meest stabiele factor’, maar vooral een drijvende kracht, bevlogen en enthousiasmerend, humorvol en innemend, tegelijk ook nuchter en pragmatisch.
Bij zijn uitvaart werd een bijzondere eigenschap van Hardy extra belicht: zijn dankbaarheid. Niet alleen in specifieke gevallen, maar dankbaarheid als levensinstelling, als karaktereigenschap. Een gave. Thijm mag van zijn kant dankbaar zijn voor wat Hardy Beekelaar het genootschap gegeven heeft.
Roland van der Pluym, bestuurslid-penningmeester van het Thijmgenootschap.

